De laatste tijd denk ik veel na over de enorme uitdagingen waar we op dit moment voor staan. Op allerlei gebieden is het wereldwijd crisis en het is duidelijk dat er dingen radicaal zullen moeten veranderen. Ik denk ook vaak over wie wij zijn als Nederlanders, wat voor rol wij gaan spelen, wat voor toekomst wij gaan helpen creëren. Gaan we ons hard maken voor vernieuwing en ontwikkeling, iets dat ons zeker niet vreemd is, of wimpelen we goede ideeën of hoge idealen af omdat het ons niet uitkomt?

Als ik aan ons verleden denk realiseer ik me dat we vroeger echte pioniers waren; we voeren de wereldzeeën over, naar een onbekende wereld, in een tijd dat reizen ontbering betekende en dat het zelfs uiterst onzeker was of je ooit nog terug zou komen. We namen risico’s en zochten vol overgave naar nieuwe landen, nieuwe bronnen van inkomsten en nieuwe kennis. In het westen heette New York Nieuw Amsterdam totdat Peter Stuyvesant zich gedwongen zag het af te staan aan de Engelsen. In het oosten vonden we koffie, suiker, thee, specerijen, opium en ja, ook slaven. In deze tijd, de Verlichting, veranderde er veel in Europa op cultureel, sociaal, wetenschappelijk, en zelfs op culinair gebied. Alles werd anders, iets wat zonder die avontuurlijke, ondernemende geest misschien nu nog niet zou zijn gebeurd.

Ook in ons eigen land waren we pioniers door op revolutionaire wijze land te winnen uit zee en het op vernuftige wijze te beschermen tegen de hongerige oceaan die al het land maar al te graag terug wilde. We kwamen erachter dat land winnen, hoewel het eerst onmogelijk leek, wel degelijk mogelijk was. De Franse filosoof Descartes zei niet voor niets: “God heeft de wereld geschapen, behalve Holland, dat door de Hollanders zelf is gecreëerd.” Inmiddels bestaat Nederland voor een kwart uit land dat tot wel zeven meter onder het zeeniveau ligt. We zijn wereldwijd nog altijd ongeëvenaard als het gaat om onze kennis van waterbeheer. Ook nu we een significante stijging van de zeespiegel verwachten lijken de meesten van ons er alle vertrouwen in te hebben dat we met de inventiviteit die ons zo eigen is, het noorden en westen van Nederland zullen kunnen beschermen tegen het wassende water en dat we dat zelfs kunnen doen op een manier die ecologisch verantwoord is.

Met die waterbouwkundige innovatie kwam ook politieke vernieuwing, of we nou wilden of niet, we moesten wel leren “polderen”, als er geen consensus was, als één stukje dijk niet goed onderhouden werd kreeg iedereen natte voeten, of erger... Ook die zorg voor consensus heeft ons gemaakt tot wie we nu zijn, een postmoderne welzijnsstaat waarin we allemaal evenveel recht hebben op een menswaardig bestaan; het mooie van polderen. Dat menswaardige bestaan is geëvolueerd tot een ronduit comfortabel leven dat we inmiddels heel normaal vinden. En we hebben zo onze manieren ontwikkeld om die levensstijl te beschermen tegen invloeden van buitenaf, zoals de rest van de wereld.

We zullen onszelf niet zo snel op de borst slaan, we doen liever “gewoon”, toch kan ik een gevoel van trots niet onderdrukken als ik aan ons roemruchte verleden denk, of aan de dingen die we tegenwoordig doen die je met recht revolutionair kunt noemen. Op het gebied van duurzaamheid bijvoorbeeld; ik ben trots als ik lees dat in ons land halve steden en hele provincies “cradle to cradle” gaan, of als ik hoor dat door gebruik te maken van nieuwe revolutionaire technologie de afvalverwerkingsfabriek in Amsterdam de schoonste ter wereld is en alleen waterdamp uitstoot. Er is echter ook een andere kant. Als ik naar mezelf kijk, of naar veel mensen om me heen, denk ik ook wel eens: “Is dit iemand die ontberingen zou hebben doorstaan en de halve wereld zou zijn omgevaren om nieuw land, nieuwe kennis en nieuwe handelsmogelijkheden te ontdekken?” Of als ik lees dat de minister van Volksgezondheid vierendertig miljoen vaccins heeft besteld tegen de Mexicaanse griep, iets wat natuurlijk fantastisch is maar misschien ook wel wat veel van het goede; twee inentingen per persoon omdat één inenting mogelijk niet voor honderd procent bescherming biedt. Dan bekruipt me toch het gevoel dat er ergens iets niet helemaal klopt.

Dankzij de moedige avonturiers die vroeger bereid waren hun nek uit te steken, zware omstandigheden te verdragen en hun leven op het spel te zetten, hebben we nu, volgens een rapport van de Verenigde Naties uit 2008, van alle landen ter wereld de op vijf na hoogste levensstandaard. Daar zijn we nogal aan gehecht geraakt. We zijn pioniers geweest van de moderne, wereldveroverende fase in bewustzijn en van de postmoderne egalitaire “polder” fase, maar het lijkt erop dat we nu geen pioniers of avonturiers meer zijn. De meesten van ons willen het toch vooral gezellig hebben en niet te veel moeite hoeven doen, en dat staat de volgende stap in bewustzijn in de weg. We staan erop dat we recht hebben op comfort en welvaart, het is iets wat we heel vanzelfsprekend vinden. Ik ken mensen die boos waren omdat ze hun huis moesten “opeten” voordat ze in aanmerking kwamen voor een bijstandsuitkering, of die ontevreden waren dat je met zo’n uitkering maar vier weken op vakantie mag terwijl je werkloos bent en toch niets beters te doen hebt… Ik kan het moeilijk rijmen, nog niet zo lang geleden in de Tweede Wereldoorlog, boden verzetslieden in het hele land moedig weerstand en zetten daarmee hun leven op het spel. Anderen boden onderdak aan Joodse onderduikers en brachten daarmee zichzelf en hun geliefden in gevaar. Waar is die gedrevenheid gebleven? Is de situatie waarin de wereld nu verkeert niet net zo bedreigend? Zijn de problemen nu ook niet heel urgent?

Ik heb de indruk dat die urgentie, dat besef van een wereld om ons heen waar we verantwoordelijk voor zijn, geen groot deel uitmaakt van onze cultuur. Wat ik wel heb geleerd is om goed voor mezelf te zorgen. Mijn moeder vroeg me bijvoorbeeld, zoals vele moeders waarschijnlijk, toen ik iets weggaf, of ik er wel voor zorgde dat ik genoeg voor mezelf overhield. Ik moet me soms op mijn tong bijten om niet een soortgelijke opmerking te maken tegen mijn eigen zoon als hij eens genereus is. Hoewel velen van ons op een of andere positieve manier bijdragen aan een betere wereld, doen we dat over het algemeen pas als we onze eigen zaakjes voor elkaar hebben. Begrijpelijk, maar het maakt het niet makkelijk te reageren op iets dat groter is dan onze eigen zaakjes. En daar komt bij; wanneer hebben we onze zaakjes voor elkaar? Onze levensstandaard is dan misschien de zesde in de wereld, ons verlangen naar comfort en vrije tijd is dat volgens mij ook. Onze zo vermaarde tolerantie geldt, ben ik bang, niet voor gebrek aan comfort, tijd en rust… Of ga ik dan te ver?

De manieren waarop we ons comfort, onze tijd en onze rust beschermen zijn volgens mij vaak subtiel en ze onthullen iets dat ook typisch Nederlands is: we reageren meestal cynisch en wantrouwend op mensen met goede ideeën of idealistische motieven. In de tijd dat Obama in Nederland veelvuldig en heel positief in het nieuws was las ik in de Volkskrant een ingezonden brief van iemand die hem bekritiseerde omdat hij zijn indrukwekkende speeches van twee grote autocue schermen las. Alsof dat wat hij zei minder relevant en minder oprecht maakte. Het stuk was niet uitsluitend negatief maar de door de Volkskrant strategisch gekozen kop “Het geheim achter de Obama-magie” maakte dat je Obama als een demagoog ging zien. Het was interessant om te merken dat ik direct teleurgesteld was toen ik die brief las en heel even dacht ik: “Ah, jammer, nou ja het was ook te mooi om waar te zijn.” Het is allemaal zo typisch Nederlands, altijd op zoek naar wat er mis is, zelfs als iets of iemand heel positief is. Daarmee schermen we onszelf af voor het nieuwe, het positieve, het veeleisende, want als je denkt dat het allemaal niks is of dat anderen niet oprecht zijn kun je weer terug naar je eigen rustige leventje. Dan gaan het idealisme, de opwinding en het potentieel voor verandering allemaal direct in rook op en komen we niet in beweging.

Tenzij we ons bewust worden van dit soort gewoontes en zien wat het effect ervan is, laten we het creëren van de toekomst over aan volken die minder fortuinlijk zijn dan wij. Mensen uit landen waar niet zo veel van overheidswege aan komt waaien, waardoor zij hebben leren vechten voor het leven en er niet van uit gaan, zoals wij wel vaak doen, dat het leven bijna altijd makkelijk en leuk moet zijn. En dat zou toch wel beschamend zijn, en oneerlijk, dat we eerst de griepvaccins voor de neus van onze minder welvarende medemens wegkopen en ze vervolgens de hete kastanjes voor ons uit het vuur laten halen als het gaat om het creëren van een toekomst voor ons allemaal. Ik ben ervan overtuigd dat als we daarentegen besluiten het niet aan anderen over te laten en als we niet te veel eisen stellen aan hoe we ons op elk moment voelen, dat datgene wat in ons zit en dat ons land gemaakt heeft tot één van de meest welvarende, sociale landen ter wereld, opnieuw kan ontwaken. Dan zullen we, denk ik, pas echt beseffen hoeveel wij Hollanders te geven hebben. Dan zullen we beseffen dat we in de ideale situatie verkeren om bewustzijn, de diepste, meest fundamentele dimensie van dit hele ontwikkelende proces waar wij deel van uitmaken, verder te brengen en daarmee de volgende stap te zetten in de culturele geschiedenis van ons vaak zo vooruitstrevende land.
Typisch Nederlands

door Arjan Kindermans
blocks_image